700-039 312-50exam MA0-101exam SK0-004pdf ASF 70-494 pdf 70-673exam C9560-503 98-367 70-534dump NS0-505 70-342exam pdf CHFP 070-410practice exam 1V0-603 pdf 1Z0-804pdf C8010-250 312-50V9 pdf C2150-508 98-368pdf займы онлайн займ на карту кредит онлайн на карту микрозаймы онлайн микрозайм онлайн микрозаймы займы на карту займ онлайн микрозаймы на карту кредит на карту займы онлайн на карту микрозайм на карту кредит на карту онлайн срочный займ на карту займ онлайн на карту
Essays Endgame

Published on februari 17th, 2015 | by Ginette Bauwens

0

‘Eindspel’ of het toneel van de duisternis

Eindspel, dat zou men ook kunnen noemen: het wachten op de dood. Eindspel is verloren voor het begonnen is, beëindigd nog voor het kon ontstaan. De open ruimte, het circusspel en de gebaren, die nog zichtbaar waren in Wachten op Godot, zijn hier verdwenen. Nu zitten we in de verstikkende ruimte. Een ruimte met daarin twee vensters: links het zeevenster en rechts het aardevenster. Onder de vensters bevindt zich een mengsel van stof en regen, die het grijs-monotone van Eindspel accentueren.

“Einde, het is ten einde, het gaat eindigen, het gaat misschien eindigen”. Het zijn Clovs eerste woorden in Eindspel, en na deze woorden is alles aanwezig: de spelers en het spel om de dood kunnen beginnen. De tastbare onzekerheid en de wanhoop liggen reeds in de beginwoorden. Er gebeurt niets, geen drama – een veelzijdige realiteit, subjectief en vooral onaantastbaar. Men treedt binnen in een doolhof waar elke oriëntatie verdwenen is, een zone van indifferentie. De tijd van de laatste mens is aangebroken, de wereld is op haar einde geduwd. Eenzaamheid en liefdeloosheid zijn de grondslagen van deze lelijke, stinkende wereld, maar er is geen ontkomen aan. Eindspel is zoals een bijna opgebrand vuur waarin van tijd tot tijd nog lichte, kleine vlammen opflakkeren, die vlug in de as terugzinken. De wereld is een onwereld (inmonde), is onherbergzaam geworden, een woestijn. Alles is dood, we bevinden ons in een “nadien”. Na de Apocalyps en na de Antichristus, er zijn geen horizonten meer. Theodor Adorno schrijft: “In Eindspel ligt een historisch ogenblik, de ervaring van de cultuurvernietiging na de Tweede Wereldoorlog” (1).

Alles is dood en uitgestorven, maar vier wezens zijn gespaard gebleven: de blinde en verlamde Hamm (Hamer, Sikkel, Hamlet, Ham (Hesp)), zijn knecht Clov (nagel, kloef, kloof) en de ouders van Hamm, Nagg (naguère, oude zeur) en Nell (knel) die bij een auto-ongeval hun benen verloren. Niets in het stuk is denk ik belangrijker dan de zin “niets is grappiger dan het ongeval”. Hierdoor suggereert Beckett dat het hier om een tragikomedie gaat (Le verso et recto d’un même problème). Adorno zegt hetzelfde: “het tragische en het groteske gaan samen, in allebei zijn de omstandigheden gedwongen, er bestaat geen vrijheid meer”. De mens tracht te vluchten, maar wordt altijd terug op het toneel getrapt – de menselijke onmacht.

Men vindt hier duidelijk niet langer de pantomime van de clowns, zoals in Wachten op Godot, maar er is toch nog een komisch aspect aanwezig. Misschien hebben we de moed niet meer om te lachen, maar dat wil niet zeggen dat er niets grappigs meer is. Het komische is geworden zoals de wereld: grijs.

Ik wil nog eens Adorno aanhalen, die erop wijst dat we in een volledig verzakelijkte wereld leven die niets aan de natuur overlaat. De natuur in Eindspel is uitgestorven, verdwenen, en het enige dat rest is het zand in de vuilnisbakken. Maar ook dat zal verdwijnen in de loop van het stuk en vervangen worden door zagemeel. Er verschijnt een vlo, maar ze wordt vlug en heftig doodgeknepen.

Hamm, die evenals Clov een hevig rode gezichtskleur heeft, is een verlamde maar krachtige tiran. Zijn masker is angstwekkend, dat van dreiging, een beeld van een onheilspellende vitaliteit. Hij leeft – zoals de meeste van Becketts personages – in de verveling, in een wereld die liefdeloos en labyrintisch is. Om de verveling te breken is er de monoloog, zijn verhaal van een imaginaire bedelaar, zijn lijden en Clov. De historie van Hamm is autobiografisch, maar zit vol verbeelding, een mogelijkheid om het heden draaglijk te maken.

Jarenlang wordt de tijd gedood met nutteloze woorden en handelingen en zinloze spelletjes zoals “het spel van de rat in de keukenkast” – de pantomime van het pijnstillende middel. Adorno schrijft dat de mogelijkheid om een individu te zijn, om iets te betekenen, al zo lang door de overmacht onderdrukt wordt. De enkeling wordt vervangbaar en overbodig. Zo verdwijnt de diepe betekenis van de spraak. Dat is iets wat duidelijk naar voren gebracht wordt in Eindspel. Hamm stelt immers niet de vraag “Waarover kan ik spreken?”, maar wel “Waarover kan men nog spreken?”. Jarenlang spelen ze oude vragen en oude antwoorden. “Hoe laat is het?” vraagt Hamm. “Hetzelfde als altijd,” is het antwoord, en het lijkt ook evident door de stagnatie van de scène.

In het begin van Eindspel roept Clov graantjes op die zich bij elkaar voegen en een onmogelijke hoop vormen. Hamm herneemt hetzelfde beeld. Het doet ons denken aan Zeno. De gelijkenis is groot, men kan de hoop blijven delen, het is onmogelijk om de hoop te voltooien, het leven is onmogelijk te beëindigen. Nagg en Nell zijn misschien dichter bij het einde, maar ze moeten daarom niet minder voortdoen met leven. Zo leven ze al jaren in dezelfde situatie waar niets meer mogelijk is. De figuren raken gewoon nergens, ze moeten spelen alhoewel er niets te spelen valt. Alles wat ze doen houdt de ontbinding en het einde in, maar het einde zelf komt nooit, het zal nooit ophouden. Ze bidden tot God maar stellen vast dat hij niet bestaat. Het is de rusteloosheid die terug te vinden is in gevangenissen, concentratiekampen en klinieken: de omstandigheden zijn gedwongen, er bestaat geen vrijheid meer, alles is vervallen.

Hamm is de tiran, de meester, maar hij weet dat hij het is zolang Clov er is. Dat is de macht van Clov: langzaam vernietigt hij de zekerheid van Hamm met het steeds terugkerende “ik verlaat je”.

Zonder Hamm, geen Home, geen vader. Zonder Clov, geen Hamm.

Hamm is sterker dan Clov en hij is degene die gevreesd wordt. Hij heeft de bespottelijkheid van alle dingen begrepen, terwijl Clov nog gebonden is aan de dingen en nog gelooft in het lot voor en na de dood. Hamm heeft alles begrepen: pas plus haut que le cul.

Clov is de knecht, hij vreest de dood en de meester. Hamm zit in een rolstoel, hij kan niet bewegen maar zit toch op een soort troon. Hij zuigt het leven op via Clov, hij is blind voor de dingen, Clov moet ze hem steeds opnieuw mededelen. Hamm weet zich leeg: “hoe groter de mens, hoe voller en hoe leger”. Als hij Clov verliest, verliest hij alle zekerheid. Hij is vreemd aan de wereld en ook aan zichzelf. Toch verlaat Clov Hamm niet, hij heeft Hamm nodig.

Als een slaaf “neen” zegt, bevestigt hij het bestaan van een grens. De grens schept iets, de mogelijkheid, iets dat de moeite waard is. Maar voor Clov is er geen grens, geen mogelijkheid, er rest hem enkel Hamm. Alle mogelijkheden zijn uitgedoofd. Of hij vertrekt of niet, het verandert niets aan de fundamentele situatie. Zijn vrijheid is nog enkel de onmachtige en belachelijke reflex van nietige beslissingen. Hij kan “neen” zeggen als Hamm naar zijn kalmeerpillen vraagt, maar dat zal fundamenteel niets veranderen. Op het einde van Eindspel maakt hij toch aanstalten om Hamm te verlaten, en Hamm weet dat het voor hem gedaan is. “Het is ten einde, Clov, we zijn aan het einde. Ik heb jou niet meer nodig“. Hij wil meester blijven ondanks alles. “Ik heb jou niet meer nodig”.

Voor Nagg en Nell is er nog enkel het verleden, lang vervlogen tijden en de biscuits, hard en droog. Er is de tijd dat ze hun benen nog niet hadden verloren, de tijd voor hun tandemongeluk. Maar is het tandemongeluk niet het ongeluk dat alle koppels overkomt?  De liefde van de eerste momenten die versteent, die afknakt, de passie die weg is zoals de benen van Nagg en Nell? De dialoog tussen Nagg en Nell is bijna onbestaand, het is een woordenvloed zonder kleur. Nagg wil Nell opvrolijken door een verhaal te vertellen, maar het verhaal is treurig en afgezaagd. En als teken van lichamelijke liefde rest hen nog de poging om elkaars rug te krabben. Pijn is het enige lichamelijke gevoel dat nog rest.

De duisternis valt, de wereld is op haar einde, er is geen opstand. Hoe meer het stuk naar het einde loopt, hoe absurder alles wordt. Hamm wil naar het zuiden, een benauwd verlangen, maar het spel gaat door. Bijna op krankzinnige wijze loopt het spel naar zijn einde.

“Het is ten einde, Clov”: de woorden die de dood aankondigen. En dan valt er een stilte, een rampzalige stilte. Becketts antwoord aan de wereld is gegeven, het einde staart je aan als een zucht, een stuiptrekking van afgrijzen.

Alles is onthuld. Alles is overbodig. Het is ten einde.

Beckett brengt hier een schok teweeg, een bewustwording. Men moet nieuwe waarden scheppen, eigen waarden met eigen woorden in de leegte van de hedendaagse wereld, waar God allicht voorgoed dood is.

(1) zie “Versuch, das Endspiel zu verstehen”, Theodor Adorno, Suhrkamp Taschenbuch, 1972.
 

Tags:


About the Author


Back to Top ↑

CPSM1 CQE CSQA CSSBB CSTE CTAL-TA_Syll2012 E20-002 E20-005 E20-329 E20-517 E20-547 E20-891 642-874 642-889 642-998 642-999 644-066 644-068 646-048 646-205 646-985 648-244 648-247 9A0-150 9A0-152 9A0-154 9A0-164 9L0-410 9L0-412 9L0-806 A00-202 A00-260 A2010-570 A2010-651 1z1-051 Certification 1Z1-052 1Z1-061 1Z1-102 1Z1-456 1Z1-457 1Z1-506 1Z1-560 200-001 200-530 220-801 dumps CPA CPP CTAL-TM_Syll2012 E10-001 E20-007 E20-335 E20-370 E20-485 E20-545 E20-597 E20-690 E20-816 E20-818 E20-885