700-039 312-50exam MA0-101exam SK0-004pdf ASF 70-494 pdf 70-673exam C9560-503 98-367 70-534dump NS0-505 70-342exam pdf CHFP 070-410practice exam 1V0-603 pdf 1Z0-804pdf C8010-250 312-50V9 pdf C2150-508 98-368pdf займы онлайн займ на карту кредит онлайн на карту микрозаймы онлайн микрозайм онлайн микрозаймы займы на карту займ онлайн микрозаймы на карту кредит на карту займы онлайн на карту микрозайм на карту кредит на карту онлайн срочный займ на карту займ онлайн на карту
Cinema Film Title: Pasolini Prossimo Nostro Bertolucci.

Published on september 29th, 2014 | by René de Ceccatty

0

Pasolini en Genet

pasogenet

Pasolini (1922-1975) staat bekend als één van de meest toonaangevende cineasten van de tweede helft van de twintigste eeuw. Maar hij was ook een veelzijdig schrijver. Hij schreef gedichten, romans, toneelstukken, essays, had columns in verschillende dag- en weekbladen, stelde bloemlezingen van poëzie samen, maakte vertalingen uit het Latijn en het Grieks. Pasolini was in de jaren 1960 en 1970 een publieke figuur, en alles wat met hem te maken had baadde – terecht of onterecht – in een sfeer van schandaal.
Jean Genet (1910-1986) is een van de grootste Franse schrijvers, maar ook een van de meest subversieve en paradoxale. Tot op heden beschouwen sommige commentatoren hem nog steeds als een gevaarlijk, duivels auteur, een pleitbezorger voor geweld, seksuele perversie, verraad en lafheid. In werkelijkheid is het moeilijk te achterhalen wie of wat deze romancier, dramaturg, dichter, scenarist, theoreticus, kunstcriticus en politiek activist geweest is. In onderstaand artikel worden beide auteurs door de Franse schrijver, vertaler en recensent René de Ceccatty met elkaar vergeleken.

Het is de historie van een ontmoeting die niet plaatsvond. En kan men zich niettemin twee schrijvers voorstellen die zo nauw met elkaar verwant waren, door hun seksualiteit, door de rol die ze aan de literatuur toeschreven, door hun esthetische benadering van de wereld?

Als men het cinematografische werk van Pasolini, dat wellicht bij Genet een misverstand verwekt heeft, ter zijde laat, is het duidelijk dat men de romans met elkaar mag vergelijken. Men zou een vergelijkende studie moeten maken tussen de Romeinse romans van Pasolini, ‘Meedogenloos bestaan’, ‘Jongens uit het leven’, ‘Ali met de blauwe ogen’, en de romans van Genet, ‘Onze Lieve Vrouw van de Bloemen’, ‘Wonder van de roos’, ‘Querelle van Brest’, ‘Lijkbezorging’. Hetzelfde louche milieu, dezelfde aandacht voor de gevangenis, hetzelfde prostitutiesysteem. Er bestaat overigens een verband tussen de ‘intieme’ teksten van Pasolini, ‘Daden van onkuisheid’, en ‘Dagboek van de dief’. Het toneelwerk vertoont dezelfde reflectie over de huichelarij, het bedrog en de list. Als laatste gemeenschappelijk punt wordt de katholieke godsdienst bij beiden getransfigureerd: ‘Theorema’, ‘De Nachtegaal van de katholieke Kerk’ en ‘Het evangelie volgens Mattheus’ enerzijds en, anderzijds, de enorme seksueel-religieuze metafoor van de romans van Genet, de godslasterlijke maar terzelfdertijd eerbiedige aanslag op de kerkelijke hiërarchie (tot aan ‘Het balkon’ en aan ‘Elle’). Tenslotte een groot gemeenschappelijk model: markies de Sade.

Het is spijtig dat er geen teksten van de één over de ander bestaan. In een artikel wordt Genet heel kort door Pasolini aangehaald en dan nog op een rampzalige manier: hij noemt hem als hij het heeft over ‘Amitiés particulières’ van Roger Peyrefitte en ten voordele van deze laatste: ‘Sartre en Genet zijn, in vergelijking met Peyrefitte, zo onschuldig als communicantjes.’ (Dat is, zo dienen we te verduidelijken, een tekst van 1951, gepubliceerd in ‘Il Popolo di Roma’: de ondertekening van Pasolini was toen haast anoniem en het is reeds opmerkelijk dat hij het over dit boek heeft. Dit was op zich provocerend. De kritiek van Sartre en Genet was duidelijk een humeurige oprisping tegen de vedettes van de Franse pers, die hij zeer waarschijnlijk niet gelezen had. Zijn kennis van het Frans was daarvoor niet toereikend.) In 1964 vinden we de namen van Genet en Pasolini in een speciaal nummer, onder de titel ‘Gulliver’, van het tijdschrift ‘Menabò’, samen met onder andere die van Duras, Blanchot, Barthes en Günter Grass.

De laatste boeken van Pasolini en Genet, allebei postuum, ‘Olie’ en ‘Een verliefde gevangene’, ontspruiten in grote lijnen en misschien zelfs in detail aan dezelfde geest. Het is in elk geval een zelfde project: een boek-poëem dat de totaliteit van een wereld en een politieke visie omvat en waarin de seksualiteit, min of meer getransformeerd, dezelfde functie vervult.

In ‘Een verliefde gevangene’ schrijft Jean Genet niet enkel een politiek essay over de Black Panthers en Palestina, maar tracht hij in zijn mystiek en in zijn literair werk een reflectie over de – raciale en politieke – uitgeslotenen te incorporeren die, in zijn politiek-esthetisch systeem, de orde van de wereld gaan reorganiseren. Wat is terrorisme, wat is geweld, wat is brutaliteit, wat is schoonheid, wat is goddelijkheid? Die vragen, die opgeworpen werden in zijn eerste romans en in zijn openlijk politieke teksten (verzameld in ‘L’ennemi déclaré’), worden hier met elkaar vermengd en in verband gebracht met de liefde voor een man, Hamza, die hij nauwelijks gekend had en die zijn verbeelding voedde, zoals Saïd in ‘Les Paravents’ of Weidmann en Pilorge in ‘Onze Lieve Vrouw van de Bloemen’ of Stilitano in ‘Dagboek van de dief’ of Jean Ducarnin in ‘Lijkbezorging’.

Bij Pasolini heeft ‘Olie’ een structuur die door zijn onafgewerkte vorm complex is, al moet toegegeven worden dat het onvoltooide karakter behoort tot het geplande project van het boek, dat fragmentarisch opgevat was. Het hoofdpersonage, de verdubbelde verteller, Carlo de Thetis (zoals ik hem in mijn vertaling gespeld heb, Thetis, één van de Nereïden, het ‘blazoen van de fysische realiteit’, moeder van Achilles en dochter van Titanus, god van de zee, die zichzelf in een leeuw en een slang kon omtoveren – ‘Zeus had zich niet met haar willen verbinden uit angst een zoon te verwekken die sterker zou zijn dan hijzelf’’-, of Tethys, volgens Hervé Joubert-Laurencin, die ervan overtuigd is dat het hier om een andere god gaat, ook een god van de zee, die overigens zijn naam gegeven heeft aan een prehistorische zee dat een belangrijk olieveld geworden is) en Carlo de Polis, die zowel Jason als een corrupte ondernemer is, een personage uit de ‘Duizend-en-één Nacht’ en een held uit de Oudheid, een dubbelganger van Pasolini en een demonische figuur – het spiegelbeeld van de engel in ‘Theorema’ -, en de held van een initiatiereis in een wereld van seks, politiek, corruptie en hel (met een expliciete verwijzing naar ‘De Goddelijke Komedie’).

Maar ‘Olie’ is niet geschreven in de eerste persoon en het is dus niet mogelijk er een bekentenis van de mens Pasolini in te lezen, ondanks de minutieuze beschrijving van zijn seksualiteit. Er treedt niettemin een personage op dat als katalysator dient in de seksueel-politieke dromerij van Pasolini, het personage dat de naam Carmelo draagt, en dat dezelfde rol speelt als Hamza maar, wel te verstaan, in een ander waardesysteem, een pasoliniaans systeem, want Carmelo is een proletariër, kelner in een restaurant dat door industriëlen en politici bezocht wordt.

‘Olie’ en ‘Een verliefde gevangene’ zijn allebei afschuwelijke boeken omdat ze noch roman noch politiek essay noch bekentenisliteratuur zijn en omdat ze, behalve de genrevermenging, in zekere zin een totaliserende roman beogen te zijn: ‘Tristam Shandy’ van Sterne, ‘De Boeders Karamazov’ van Dostojevski, maar ook het sprookje zoals opgevat werd door Sjklovski en de Russische formalisten, of het verhaalmodel dat voor Genet ‘The seven Pillars of Wisdom’ vormde. T.E. Lawrence hoorde niet thuis in de mentale wereld van Pasolini, die er terloops een opmerking over maakt in ‘Drescrizione de descrizione’ als hij het heeft over keizer Alexander: ‘Net als hij, ‘ schrijft hij, ‘hield hij ervan zich te verkleden en zich onder de geïdealiseerde inheemse bevolking te begeven.’

En de twee boeken bevatten een radicale kritiek van de internationale en kapitalistische politiek, waar bij de één als rode draad de guerilla en de gewapende strijd fungeert, en bij de ander de kolonisering van de derde wereld in en buiten Italië, en het extreemlinkse en extreemrechtse terrorisme. En allebei spelen ze zich af tegen een mystieke en seksuele achtergrond, tegen een verlangen naar transfiguratie; tenslotte delen ze uiteraard de fascinatie voor het Oosten en voor het reizen zonder zich te verplaatsen.

Pasolini heeft met Genet het metaforisch gebruik van de seksualiteit gemeen. Aldus kan hoofdstuk 55 van ‘Olie’, dat een twintigtal fellaties beschrijft, gelezen worden als een daad van onderwerping aan en van omkering van de maatschappelijke macht: de jonge occasionele prostituees weten dat ze een man ‘nemen’ die hoger op de maatschappelijke ladder staat dan zijzelf. We vinden precies dezelfde ideologie van de erotisch-maatschappelijke hiërarchie in vele teksten van Genet over de fellatie en de seksualiteit van de ‘nichten’ en de schurken. Met name in ‘Wonder van de roos’, waarin Genet, als hij het heeft over zijn geleidelijke vereenzelviging met Bulkaen, en zonder uit te weiden over de metafoor, speelt met het argotwoord ‘pen’ dat hier naar het breekijzer verwijst. ‘Ik wilde mezelf zijn en dat werd ik als ik mezelf als inbreker manifesteerde. Alle inbrekers zullen de waardigheid begrijpen die ik krijg als ik het breekijzer, “de pen”, in de hand houd. Van zijn gewicht, zijn materie, zijn omvang en zijn functie tenslotte, ging een autoriteit uit die een man van mij maakte. Ik had deze ijzeren staaf sindsdien altijd nodig om me volledig uit mijn slijmerige toestand en mijn vernederende houding te bevrijden en om de heldere eenvoud van de mannelijkheid te bereiken.’ Het valt in deze passage op dat indien Genet de seksuele metafoor – de pen is een ‘ijzeren staaf’ – expliciet formuleert, hij zich niet baseert op de andere, veel vanzelfsprekender metafoor die de pen in verband brengt met die van de schrijver. Hij brengt het gebruik van dit woord zelfs niet in verband met een ander argotgebruik dat verder in hetzelfde boek opduikt: de fellatie. Maar of ze nu expliciet geformuleerd worden of niet, deze drie metaforische series – de fellatie (dit betekent in het hiërarchische systeem van Genet de seksuele verhouding van onderwerping van de mannelijke rol), het schrijven, de diefstal – zijn uiteraard aanwezig in deze passage en brengen het bewustzijn van het bereiken van de mannelijkheid rechtstreeks in verband met het schrijven, de diefstal en een bepaalde vorm van homoseksualiteit.

Er schuilt in heel het werk van Genet een retorisch gedeelte en een analytisch gedeelte dat rechtstreeks naar de definitie van de verschillende vormen van homoseksualiteit verwijst, met hun hiërarchieën in perversies en schandelijkheden (termen die noch door hem noch door mij zonder enige morele connotatie gebruikt worden), volgens een systeem dat niet ontleend werd aan de Sade, maar dat er wel veel op gelijkt. Een hiërarchisch systeem overigens, net zoals bij de Sade, dat voortdurend in verband gebracht wordt met de godslastering, dit wil zeggen met het woord, de taal in zijn verhouding tot het sacrale en meer bepaald tot de sacrale wet. Men kan ‘Onze Lieve Vrouw van de Bloemen’ en ‘Wonder van de roos’ lezen als twee blasfemische gebedenboeken.

Anders gezegd, Genet brengt zèlf voortdurend de daad van het schrijven in verband met de definitie van zijn seksualiteit, en het schrijven met de transfiguratie.

Genet kan in feite geen geslachtsbegrip gebruiken, heel eenvoudig omdat zijn boeken subtiele psychologische en sociale onderscheidingen maken in het seksuele gedrag, in de graden van (sociale of fysieke) viriliteit, in de symptomen, in de karaktereigenschappen, in de rollen, in de identiteiten van zijn personages en van de diverse fases van zijn persoonlijke leven.

Wat volgens mij van fundamenteel belang is in de wijze waarop Genet zijn eigen schrijven definieert, is veeleer het idee van transfiguratie van een seksuele realiteit, die men over het algemeen verwerpelijk vindt, op het ogenblik waarop hij schrijft en publiceert. Deze transfiguratie, nog steeds in ‘Dagboek van de dief’, dat dus een boek is dat ‘buiten’, in vrijheid, geschreven werd, dit wil zeggen toen hij beroofd was van zijn eenzaamheid en zijn uitsluiting, geeft Genet de juridische benaming ‘eerherstel’. Dit systeem van eerherstel, dat louter een omkering van waarden is, zal zelf de basis vormen voor zijn toneelwerk, zoals de recente publicatie van ‘Splendid’s’ nog bewezen heeft.

Deze omkering van waarden wordt soms veeleer voorgesteld als een opheffing van elke morele norm.

Maar wat de verhouding van Genet tot zijn schrijven en tot zijn seksualiteit zeer complex en dubbelzinnig maakt, is dat hij constant overstapt van het inwendige naar het uitwendige, te weten van de gevangenis naar de open lucht, maar ook van zijn persoonlijk waardensysteem naar een veronderstelde norm van zijn lezers (nogmaals, dit is een komen-en-gaan dat men ook bij de Sade terugvindt).

Wanneer hij deze liefde tussen mannen definieert, belandt Genet altijd bij een totale eenzaamheid, die uiteraard gelijkt op die van de schrijver, de eenzaamheid die de verhouding bepaalt die elke schrijver ervaart tegenover de wereld.

Het thema van de spiegel van de liefde waarin het schrijven en de dood elkaar vinden, zal niet enkel in heel het toneelwerk, vooral in ‘Les Paravents’, hernomen worden, maar ook in ‘Een verliefde gevangene’. Bijvoorbeeld in verband met zijn talrijke reizen naar Palestina: ‘Wat mij verbaast, is de onbeweeglijkheid van die dode in mij die ikzelf was (…). Om mij heen, zo meende ik, was de wereld in wording, ik rustte in mezelf, wist zeker dat ik geweest was. De herinneringen die ik aandraag zijn misschien de versieringen waarmee mijn lijk nog getooid wordt, dat wat ik schrijf kan niemand ten dienste zijn, maar dat eigen lijk van me, ongetwijfeld gedood door de katholieke Kerk, zal langzaamaan geëerd worden door het paganisme.’

Voor deze dood, voor deze leegte, dit niets, deze onmogelijkheid, dit gebrek, dit drogbeeld (in de antieke betekenis van de atomisten: lucrecianisch, epicuristisch), zal Genet definitief de benaming theatraliteit geven: de schijn omhult een lege kern en alleen de schijn die zich losmaakt van het lichaam wordt realiteit.

Pasolini was op dezelfde manier door de leegte van de kosmos geobsedeerd. Hij heeft hier vele gedichten over geschreven, vooral toen hij ‘Medea’ filmde, en rondom de figuur van Maria Callas: ‘Wat schuilt er in die leegte van het heelal / die je met je meedraagt in je verlangens en die je kent? / Daar schuilt de vader, ja, hij!’ Pasolini vermengt geleidelijk de liefde die Maria Callas voor hem koesterde en het personage Medea, verdwaald in een wereld waarin zijn waarden vernietigd waren, waarin hij de sleutels van zijn magische en barbaarse universum verloren had, en waarin hij een seksuele en sacrale verhouding met de anderen trachtte te herscheppen. Het lijkt me haast zeker dat Genet, die zich in een heel ander cultureel milieu ophield, in een meer muzikaler milieu, eveneens zou gefascineerd geweest zijn door het personage van Callas: de opera was een verwezenlijking van de opvatting die hij van het theater had. De lyrische tragedie zou uiteraard een vervolmaking van het tragische model van Genet geweest zijn. Hij had overigens een gelijkaardig plan met Pierre Boulez.

Maar een laatste figuur verenigt Genet en Pasolini, dat van de Pietà. Zoals Hadrien Laroche in zijn boek ‘Le dernier Genet’ benadrukt heeft, vormen Hamza en zijn moeder een onafscheidelijk beeld van de Pietà. Men zou veel uitvoeriger dit thema moeten analyseren en alle ‘subsitutiemoeders’ moeten opsommen dat het werk van Genet bevat: van Ernestine, de moeder van Devine, tot aan de moeder van Saïd in ‘Les Paravents’, maar ik denk niet dat ik me vergis als ik beweer dat het koppel moeder-zoon in gans zijn werk terug te vinden is en dat daarvan een onverwachte echo weerklinkt in het koppel dat Pasolini met zijn moeder vormde, aan wie hij juist twee moederrollen zou geven: die van de moeder van Laura Betti in ‘Theorema’ en de Maagd in ‘Het Evangelie volgens Mattheus’.

Tags: , ,


About the Author


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top ↑

CPSM1 CQE CSQA CSSBB CSTE CTAL-TA_Syll2012 E20-002 E20-005 E20-329 E20-517 E20-547 E20-891 642-874 642-889 642-998 642-999 644-066 644-068 646-048 646-205 646-985 648-244 648-247 9A0-150 9A0-152 9A0-154 9A0-164 9L0-410 9L0-412 9L0-806 A00-202 A00-260 A2010-570 A2010-651 1z1-051 Certification 1Z1-052 1Z1-061 1Z1-102 1Z1-456 1Z1-457 1Z1-506 1Z1-560 200-001 200-530 220-801 dumps CPA CPP CTAL-TM_Syll2012 E10-001 E20-007 E20-335 E20-370 E20-485 E20-545 E20-597 E20-690 E20-816 E20-818 E20-885